Tags

, , , , , , ,

Jakobus 2 is, net als Jakobus 1, zeer actueel en past geweldig thuis in ons hokjes-en-vakjes denken. Jakobus zag er zo uit, dus hij mag in dat hokje. Petrus was haantje de voorste, dus hoppa… in dat hokje ernaast. Rachab was een hoer, dus zij mag in dat hok. Die jongen daar is lang en mager, dus eventjes kijken… in dat hokje. Zij is dik, dus in dat hokje… ó ze past er niet in, dus loopt ze er maar om heen. Die arme zwerver daar, die rijke man daar, et cetera. Het zou me verbazen als je zegt dat dit je niet bekend in de oren klinkt.

Het was Jakobus ook niet vreemd, dit hokjes-en-vakjes denken. Hij schrijft er niet voor niets over, en bestraft deze manier van denken en (be)oordelen. Hij valt gelijk met de deur in huis, vers 1: ‘Mijn broeders, heb het geloof in onze Heere Jezus Christus, de Heere der heerlijkheid, zonder aanzien des persoons‘. In de daaropvolgende verzen illustreert hij aan de hand van een voorbeeld wat hij met die woorden bedoelt.

2 Want als in uw samenkomst een man zou binnenkomen met een gouden ring aan zijn vinger, in sierlijke kleding, en er kwam ook een arme man in haveloze kleding,
3 en u zou hoog opzien tegen hem die de sierlijke kleding draagt, en tegen hem zeggen: Gaat u hier zitten op een mooie plaats, en u zou tegen de arme zeggen: Gaat u daar maar staan, of: Ga hier zitten bij mijn voetbank,
4 hebt u dan niet onder elkaar een onderscheid gemaakt en bent u zo geen rechters geworden met verkeerde overwegingen?

De boodschap mag duidelijk zijn: als je een werkelijk reddend geloof hebt (in de Heere Jezus Christus), dan beoordeel je de mensen op hun karakter en niet op hun kleding of uiterlijk. Bij het typen van deze zin moet ik denken aan mijn klasgenoot op het (reformatorische) Middelbare Beroeps Onderwijs. Hij had mooi donker golvend haar, wat langer dan gemiddeld, en kreeg van de docent regelmatig de opmerking of het niet eens tijd werd om naar de kapper te gaan. Hij reageerde rustig: ‘Meneer, God kijkt naar mijn hart, niet naar mijn haar’. Oprecht en (h)eerlijk waren de woorden van deze jongen, ik wist dat zijn hart vol was van de Heere Jezus.

We moeten ieder mens liefhebben om Jezus’ wil. Christelijke liefde betekent eenvoudig anderen behandelen zoals de Heere ons behandelt, en dat in de kracht van de Heilige Geest. Niet de rijke aandacht schenken en de arme negeren. Geen onderscheid maken en de arme oneer aandoen (verzen 4 t/m 6). Vers 9 is zeer duidelijk: ‘Als u met aanziens des persoons handelt, begaat u een zonde’.

Als je een werkelijk geloof hebt, ben je dus onpartijdig. Dat is onder andere te zien aan je activiteiten, je werken. Kijk maar in vers 14: ‘Wat voor nut heeft het, mijn broeders, als iemand zegt dat hij geloof heeft, en hij heeft geen werken? Kan dat geloof hem zalig maken?’ Weer zo’n glasheldere zin, die eigenlijk geen uitleg behoeft. Het geloof is niet alleen maar iets waarover je praat. Het is iets wat je leven aandrijft, zodat je aan anderen denkt en hen dient (verzen 15 t/m 18, zie ook Efeze 2: 10). Over dat dienen van anderen zien we in de Bijbel veel voorbeelden, Jakobus verwijst in dit hoofdstuk naar Abraham (vers 21 t/m 23) en Rachab (vers 25):

  • Abraham werd gered door zijn geloof (Genesis 15: 6, Hebreeën 11: 8), en/ maar bewees dat geloof door God te gehoorzamen en zijn zoon te offeren (Genesis 22).
  • Rachab werd gered door op God te vertrouwen (Hebreeën 11: 31), maar ze toonde de realiteit van haar geloof door de verspieders te verbergen (zie Jozua 2 en 6).

Paulus vult Jakobus helemaal aan, lees de eerste verzen van Romeinen 4 maar eens:

1 Wat zullen wij dan zeggen dat Abraham, onze vader, wat het vlees betreft verkregen heeft?
2 Immers, als Abraham uit werken gerechtvaardigd is, heeft hij iets om zich op te beroemen, maar niet bij God.
3 Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem tot gerechtigheid gerekend.
4 Aan hem nu die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar wat men hem verschuldigd is.
5 Bij hem echter die niet werkt, maar gelooft in Hem Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid.

We worden gerechtvaardigd voor God door het geloof, maar we worden gerechtvaardigd voor de mensen door onze werken. God kan ons geloof zien, maar de mensen kunnen alleen onze werken zien.

Romeinen 5 vers 1: ‘Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus‘.

Nu de vraag aan jou, naar aanleiding van het laatste vers waarin staat dat geloof zonder werken dood is: ‘Hoe levend is jouw geloof?’.

kobus 2 is, net als Jakobus 1, zeer actueel en past geweldig in onze Nederlandse hokjes-en-vakjes denken. Jakobus zag er zo uit, dus hij mag in dat hokje. Jij ziet er zo uit, dus hoppa… in dat hokje ernaast. Hij is lang en mager, dus eventjes kijken… i n dat hokje. Jij bent dik, dus ga jij maar in dat hokje… o je past er niet in, dus loop er maar om heen. Et cetera. Et cetera.