Christenen horen levenskunstenaars te zijn, onweerstaanbare levensgenieters, hopeloze romantici, dwaze humoristen, verliefd op het leven en het goede, en strijdbaar om dat te verdedigen.
Wij hebben niet alleen evangelisten nodig en dominees, de zogenaamde ‘geestelijken’. Wij hebben ook kunstenaars nodig en leraars, advocaten en slagers, stratenmakers en artsen en jongerenwerkers. Allen zijn ‘geestelijken’. Ieder strijdt op zijn eigen post voor het Koninkrijk, door op zijn of haar manier Jezus na te volgen, als een zout dat de hele maatschappij doortrekt. Wij zijn geen naïevelingen of idealisten. Wij weten dat we in een gebroken wereld leven, die onder heerschappij is van de vijand, maar door het lijden heen, maken wij verschil. Wij gaan, in de wetenschap van eeuwig leven en vergeving, andersom met lijden, met de dood en dat valt op.
Wij schenken aandacht aan ‘alles wat waar is, alles wat edel is, alles wat rechtvaardig is, alles wat zuiver is, alles wat lieflijk is, alles wat eervol is, alles wat deugdzaam is en lof verdient’ (Fil. 4:8). Dat is pas revolutie, dat is pas werken aan een betere wereld!
Alice Cooper, de hardrocker die in het verleden menigeen shockeerde door zijn gedrag verwoordde het zo: ‘Bier drinken is makkelijk. Een hotelkamer verbouwen is makkelijk. Maar christen zijn, dat is heavy. Dat is rebellie.’
Wij zijn niet perfect, wij falen, wij hebben last van een grote mond en een onterecht superioriteitsgevoel, we sluiten ons teveel op in christelijke ghetto’s, we zijn onbeholpen en bang, maar wij, de geroepen heiligen, zijn de mensen die God uitkiest om doorheen te werken.
Uit: Jezus in de Millinx. Woorden én daden in een Rotterdamse achterstandswijk (p. 23)