Tags
Ik las vandaag in het boekje ‘Kinderevangelisatie… waarom eigenlijk?’ van Internationaal Kinder Evangelie Genootschap (IKEG) het volgende:
De Heere Jezus zegt tegen ons, Zijn discipelen: ‘Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping’ (Marcus 16:15). Paulus schreef aan de Romeinen: ‘Al wie de naam des Heeren aanroept, zal behouden worden. Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in wie zij niet geloofd hebben? Hoe geloven in Hem, van wie zij niet gehoord hebben? Hoe horen zonder prediker? En hoe zal men prediken zonder gezonden te zijn? Gelijk geschreven staat: Hoe lieflijk zijn de voeten van hen, die een goede boodschap brengen’ (Romeinen 10: 13-15). Paulus herinnerde Timotheüs eraan: ‘Doe het werk van een evangelist’. (2 Timotheüs 4:5).
Er was eens een groep mensen die zeiden dat ze vissers waren. Nu waren er in hun omgeving veel meren en sloten die vol vis zaten. En die vissen waren nog hongerig ook. Week na week, maand na maand, jaar na jaar, kwam die zogenaamde vissers samen in vergaderingen om te spreken over hun roeping om te vissen, de overvloed aan vis en de manier van vissen.
Jaar na jaar stelden ze zorgvuldige definities van ‘vissen’ op, verdedigden het vissen als beroep en verklaarden dat vissen de primaire taak was van een visser. Voortdurend zocht men naar nieuwe en betere vismethoden en naar nieuwe en betere definities van vissen. Doch één ding deden ze niet: vissen!
Er werden grote, uitgebreide en dure toerustingscentra gebouwd met als allereerste doel de vissers te leren vissen. Al die jaren werden er cursussen aangeboden over de noodzaak om te vissen, de kenmerken van vis, de vindplaats van vis, de indeling van vissen en de psychologische reacties van vissen.
De docenten waren doctor in de vissologie, maar visten zelf niet. Ze onderwezen alleen maar. Jaar na jaar, na saaie cursussen, haalden velen hun diploma en kregen hun visdiploma uitgereikt.
Na één van de bijeenkomsten over de noodzaak van vissen verliet een jongeman de zaal en ging vissen. De volgende dag deelde hij mee dat hij twee bijzondere vissen had gevangen. Hij werd geëerd vanwege zijn voortreffelijke vangst en hij werd ingedeeld om zoveel mogelijk belangrijke bijeenkomsten te bezoeken, waar hij kon vertellen hoe hij die twee grote vissen aan de haak had geslagen. Dus hield hij op met vissen om tijd vrij te maken om zijn ervaringen met de andere vissers te delen en ook om een film te maken over de grote vangst. Hij kwam ook in het hoofdbestuur van de vissersbond vanwege zijn grote bekwaamheid.
Het moet gezegd worden, dat veel van ‘de vissers’ waarlijk oprecht waren en zich echt opofferden en veel studies volgden. Ze deden toch wat de Meester gezegd had: ‘Volg Mij en Ik zal u vissers van mensen maken’. Kunt u voorstellen hoezeer sommigen ontsteld waren toen er op een dag iemand naar voren kwam en zei dat mensen die niet vissen eigenlijk helemaal geen echte vissers zijn, hoezeer ze dat ook beweren.
Is dat juist? Kun je jezelf een visser noemen als je jaar na jaar geen vis vangt? Ben je een echte volgeling als je nooit vist?